Wezenlijk verschil Surinaamse en Nederlandse onroerend goederenrecht

Het onderstaande artikel is een bewerking van de laudatio (lofrede) die door mij gehouden is. Mr. Dr. André Saheblal, uw rede getiteld: HET HUISRECHT EN DE WETTELIJKE BEKNOTTING HIERVAN is een voorbeeld van een studie over een combinatie van publiek- en privaatrecht.Het huisrecht, vervat in artikel 17 Grondwet, behoort tot een van de belangrijke fundamentele rechten van de mens. Iedere burger moet zich veilig en vrij kunnen voelen in zijn eigen woning. Maar ook hier zien wij dat op grond van het algemeen belang beknotting van dit recht mogelijk is. De wijze waarop inbreuk op privacy gemaakt mag worden moet in een wet in formele zin geregeld zijn.Een verrassende invalshoek die u vanuit het privaatrecht (faillissementsrecht) mede naar voren gebracht hebt, is het recht van de faillissementscurator om tegen de wil van de gefailleerde diens huis te betreden. Ik ga verder niet in op de rol van de faillissementscurator, maar grijp de gelegenheid aan om een voor velen onverwachte mededeling te doen: In Suriname komen faillissementen nauwelijks voor.

Dit is een vreemd verschijnsel voor een democratische Staat. In de meeste landen bijv. Nederland waar de wortels van ons rechtstelsel liggen, zijn faillissementen aan de orde van de dag. Velen zijn verbaasd als zij horen dat faillissementen zelden voorkomen in de Surinaamse rechtspraktijk. Het zou interessant zijn te onderzoeken waarom het faillissementsrecht in Suriname niet tot wasdom is gekomen.

Ik constateer dat naar mijn mening de grootste bijdrage die u geleverd heb aan het Surinaamse recht ligt op het gebied van het zakenrecht en met name het recht betreffende onroerende goederen. De Nederlandse rechtswetenschapper mr. M. Verbruggen heeft erop gewezen dat het Surinaamse zakenrecht wezenlijk verschillend is van het Nederlandse. De uitgangspunten zijn divers en mede ontstaan in de koloniale periode vóór de invoering van het Nederlands burgerlijk recht. Het Surinaams zakenrecht is niet alleen geregeld in het Burgerlijk Wetboek, maar ook in afzonderlijke wetten waarvan de Landhervormingswetgeving van 1982 het belangrijkste is.

Anders dan in Nederland is volledige eigendom in Suriname nimmer de basis geweest van ons vastgoedrecht. Dit komt omdat de kolonisator tot taak had economisch voordeel te halen uit de Surinaamse grond en daarom de cultuurplicht de basis was voor het uitgeven van terreinen in Suriname. Daarbij gold ook de vervallenverklaring ten behoeve van de overheid indien niet binnen een bepaalde tijd voldaan was aan deze plicht.

Bij volledige eigendom hoort geen cultuurplicht. De eigenaar kan in principe alles met zijn grond doen wat hij wil, dus ook onbewerkt en onbebouwd laten. Vandaar dat er voor Suriname een apart soort eigendomsrecht moest worden gecreëerd, waarbij de cultuurplicht als eis gesteld kon worden. Dit eigendomsrecht kreeg de naam van allodiale eigendom en erfelijk bezit (aeeb).

Naast aeeb zijn er ook veel gronden uitgegeven in erfpacht dat in 1869 werd gecodificeerd bij de invoering van het Nederlands Burgerlijk Recht in ons land. Het zgn. B.W.-erfpacht heeft zijn plaats behouden, maar erfpacht volgens de Agrarische Wet (1937) werd na de landhervormingswetgeving van 1982 niet meer uitgegeven. De bestaande (agrarische) erfpachtsrechten worden wel geëerbiedigd tot aan hun expiratie, waarna zij omgezet (vervangen) kunnen worden in grondhuur.Naar mijn mening is uw belangrijkste publicatie uw boek De Afwikkeling van Onbeheerde Nalatenschappen in Suriname, uitgegeven in mei 1999. In deze studie hebt u vele mogelijkheden aangedragen om onbeheerde nalatenschappen en verlaten gronden weer te doen terugkeren in de boezen van het domein. Velen hebben een dankbaar gebruikgemaakt van uw publicatie. Helaas lijkt het erop alsof de Surinaamse overheid er weinig aandacht aan besteed heeft. Was dat wel het geval, dan zou de boedelproblematiek in ieder geval voor een gedeelte reeds opgelost zijn.Ik citeer in dit verband met instemming het volgende uit de laudatio van prof. A.R. Caram ter gelegenheid van de toekenning van het eredoctoraat aan mij op 10-4-2019: “Mijn meer dan normale interesse voor het grondbeleid vloeit voort uit mijn overtuiging dat de grond en al wat zich daarop en daaronder bevindt, de meest krachtige pijler vormt waarop de potentiële rijkdom van Suriname steunt. Op deze pijler moeten wij goeddeels onze welvaart bouwen en onze armoede verlichten. Dit impliceert dat wij ons (gegeven de kleine omvang van de binnenlandse markt) niet primair op de importvervangende industrie moeten richten zoals sommigen beweren, maar veeleer op de export genererende industrie. Slechts dan kunnen wij de zo belangrijke schaalvoordelen opwekken en het productievolume wezenlijk opvoeren. Grondbeleid dient als motor te fungeren van het macro-economische beleid.”Carlo Jadnanansing