Reactie op ‘Vakbond voor Militairen?’

De inhoud van dit artikel dwingt mij erop te reageren. Ten eerste ben ik het met de schrijver eens dat het algemeen heersend gevoel van miskenning, schoffering en teleurstelling van al het geen dat niet gerealiseerd is in de afgelopen 10 jaren, terecht is. Terecht omdat er vanuit mocht worden gegaan dat de leiding affiniteit en voorkennis over het leger had en dat daarom de militairen in het algemeen, rechtspositioneel er veel beter voor zouden moeten staan. Maar ik weet ook dat dit niet alleen aan de toenmalige president heeft gelegen. Dat deze ergernis de kern vormt van het streven naar een eigen vakbond voor militairen roept geesten op die reeds lang in het kampement, moesten zijn bezworen.In de geschiedkundige aantekeningen ten dienste van de Staatsgreep van 25 februari 1980, heb ik op 10 februari 2011 op twee oorzaken die hieraan ten grondslag hebben gelegen gewezen:1. Niet genoegzaam aandacht voor de gelijktrekking van de bezoldiging van de onderofficieren door de legerleiding.2. De weigering van de legerleiding en de regering om de vakbond in oprichting van de militairen-onderofficieren te erkennen.Deze weigering van de regering, dat het niet toegestaan was om een vakbond binnen een gewapende macht te hebben was gebaseerd op de steun die men dacht te vinden in artikel 8 van de toen vigerende Grondwet van 1975, luidende: De uitoefening van dit recht kan in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid bij wet aan regeling en beperking worden onderworpen. Het stakingsrecht wordt erkend, behoudens de beperkingen, die uit het recht voortvloeien.Anno 2021 staat in de Grondwet van 1987, artikel 20: Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering, met inachtneming van bij wet vast te stellen bepalingen in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en goede zeden.In tegenstelling tot de Grondwet van 1975 wordt in de Grondwet van 1987 genuanceerd in artikel 21 opgenomen dat het recht van vreedzame betoging wordt erkend. Vervolgens dat de uitoefening van dit recht in het belang der openbare orde, veiligheid, gezondheid en goede zeden bij wet aan regel en beperking kan (facultatief) worden onderworpen.Wanneer het Openbaar Bestuur binnen het Staatsbestel na bijkans 46 jaren die wet niet tot stand heeft gebracht, dan mag op grond van rechtsstatelijkheid worden aangenomen, dat de overheid daaraan geen behoefte heeft. Het is niet zo dat die organieke wet moet komen.Suriname heeft in 1975 zijn staatkundige onafhankelijkheid  verworven en daarmede de plicht om de organisatie van de verschillende overheidsorganen, de samenstelling daarvan en hun bevoegdheden onderling en ten opzichte van de burgers, waaronder zijn begrepen de door strafbedreiging te handhaven regels, in orde te brengen. Constitutioneel dienen alle regelingen met rechtskracht gepositioneerd te worden hetzij te worden vervangen, vervallen of in overeenstemming te worden gebracht met de vigerende Grondwet.Voorbeeld: In het Staatsbesluit van 6 november 1996 houdende Vormgeving van Wettelijke regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten (Besluit Vormgeving van Wettelijke regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten) S.B. 1996 no. 54, zijn voorzieningen getroffen met de strekking de ondertekening van wettelijke regelingen etc. in overeenstemming te brengen met de positie van het Staatshoofd ingevolge de Grondwet voor de Republiek Suriname. Dit in het kader van het gewijzigde Staatsbestel van het parlementair stelsel naar in ieder geval een stelsel met een presidentieel karakter. Ten slotte, dat het recht van vreedzame betoging wordt erkend, dat is ingevolge artikel 21 lid 1 van de vigerende Grondwet buiten kijf. Dat de voorzitter van de politie bond dit recht heeft geschonden is geen feit, immers hij heeft de grens van het ontoelaatbare opgezocht als vakbondsman.Eugène van der San …………


Lees verder