Ons kiesstelsel moet op de operatietafel

In zijn artikel Het huidige kiesstelsel in historisch perspectief dat op 24 mei op Starnieuws verscheen, begint Ruben Ravenberg Ph.D. MBA met een aanval op de al dan niet vermeende hypocriete politici. Wie dat zijn blijft onderbelicht, maar naar mijn oordeel is wijziging van ons kiesstelsel nog steeds opportuun. Drie zaken vallen op in het artikel van Ruben Ravenberg. a.Hij beperkt zijn historisch perspectief hoofdzakelijk tot het resultaat van verkiezingen; nota bene van relatief recente data. b.Hij stelt partijen centraal. c.Hij wijzigt – stilzwijgend – het aantal stemmen dat de ABOP volgens het Centraal Hoofdstembureau (CHS) zou hebben verworven in 2020. Ad.a) Belangrijker dan het resultaat van de verkiezingen is de wijze waarop dat tot stand komt. Dominant hierbij zijn het meerderheidsstelsel en het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. De centrale vraag daarbij is hoe adequaat, hoe zinvol deze stelsels in het nationaal kiesstelsel verweven zijn?Ad. b.) Een kiesstelsel zou in een democratie als doel moeten hebben zo representatief mogelijk de wil van het electoraat tot uiting te brengen met betrekking tot het samenstellen van de volksvertegenwoordigende organen en de daaruit voortvloeiende regering samen te stellen. Centraal staat daarbij de volkswil. Aangezien de meeste Surinaamse politieke partijen het democratisch spoor nog steeds bijster zijn, zou ik deze helaas nog even willen parkeren in een discussie over het kiesstelsel.  Ad. c.) Ravenberg rekent in zijn artikel uit hoe de zetelverdeling zou zijn van de laatst gehouden verkiezingen indien het resultaat werd uitgerekend volgens het principe van landelijke evenredigen vertegenwoordiging. Het valt op dat het totaal van de VHP, NPS. NDP, BEP  conform het eindverslag van het CHS wordt weergegeven. Wat de ABOP betreft voegt Ravenberg stemmen toe aan het getal dat CHS heeft genoteerd. Zo verandert hij het aantal van 24.956 stemmen die de ABOP heeft gehaald volgens de verkiezingsautoriteit, in 30.769 stemmen. De noodzaak tot wijzigingDe eerste verkiezingen in Suriname werden gehouden in 1866 op basis van het eenvoudig meerderheidsstelsel en het censuskiesrecht: Wie een bepaald bedrag aan belasting betaalde, mocht stemmen. Het gevolg was dat slechts ongeveer ½% van de bevolking naar de stembus mocht.In 1936 kwam er een wijziging in de manier van stemmen. Voortaan zou naast het censuskiesrecht ook het capaciteitskiesrecht gelden: Wie ten minste de ULO of de Ambachtsschool had doorlopen mocht stemmen. Niet meer dan 2 tot 3% van de bevolking verkreeg hierdoor het recht naar de stembus te gaan. In 1948 werd het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen geïntroduceerd. Het belangrijkste criterium was vanaf toen de leeftijd. Op grond van deze wijziging bracht in 1949 54.2% van de bevolking haar stem uit. Bij die verkiezing had je een overwaardering van Paramaribo ten opzichte van de overige districten. In 1963 zouden Jopie Pengel en Jagernath Lachmon meer rechtvaardigheid brengen in het kiesstelsel. De aanleiding daartoe was de uitslag van de verkiezingen in 1955. Die verkiezingen waren een krachtmeting tussen enerzijds het Eenheidsfront en anderzijds de samenwerkende partijen (NPS en VHP).Het Eenheidsfront kreeg samen met de KTPI) ± 28.000 stemmen. Dit was 47% van het aantal uitgebrachte stemmen. Dit vertaalde zich in 13 van de 21 zetels, dus 62%. De NPS en VHP behaalden samen ± 30.000 stemmen dat was 50% van het aantal uitgebrachte stemmen, maar kregen slechts 8 zetels. Dat was 38% van het totaal aantal zetels van het parlement.In 1963 werd naast het meerderheidsstelsel ook het evenredigheidsstelsel geïntroduceerd. Bovendien konden sinds toen de bewoners van het binnenland deelnemen aan de verkiezingen. Hierna volgden nog wat wijzigingen van het kiesstelsel.De wijziging van 1987 bracht een overwaardering van de stemmen van het binnenland met zich mee. Aanvankelijk was dat geen punt van discussie, maar al spoedig werden de electorale gevolgen van de enorme urbanisatie – als gevolg van de binnenlandse oorlog – duidelijk. Grote groepen marrons verlieten hun dorpen en trokken naar de kuststreek, met name Paramaribo. Het gevolg hiervan was dat het ontvolkt Binnenland hetzelfde aantal zetels behield, terwijl de geürbaniseerde marrons hun stem ook in Paramaribo, Wanica, Para – om maar enkele districten te noemen – konden uitbrengen. Aangezien electorale keuzen vaak op etniciteit zijn gestoeld betekende dit een overwaardering voor partijen die zich al dan niet in combinatie als marronpartijen profileerden. De stem van de marrons klonk proportioneel sterker door in het politieke bestel. Anderzijds zijn er steeds meer mensen in de kuststreek – m.n. Paramaribo – die zich afvragen waarvoor zij nog moeten stemmen als hun stem zo weinig waard is t.o.v. de kiezer in het binnenland of die van het district Coronie. Wat in 1955 speelde is ook vandaag actueel.Aangezien het op nationaal niveau aantal uitgebrachte stemmen weleens als een graadmeter wordt gebruikt om na te gaan hoe de democratie wordt beleefd in een land, is het zinvol het kiesstelsel – om deze en nog veel meer redenen – weer op de operatietafel … …………


Lees verder