Discriminatie

HET ZAL EEN opluchting zijn geweest voor organisaties die zich bezighouden met belangen van mensen met Afrikaanse roots in Suriname. Het hoge woord kwam van een groep van drie deskundigen van de Verenigde Naties (VN) die zich zijn komen oriënteren op de situatie van zwarte mensen in Suriname.  Zij zeggen onder deze groep opvallend veel gevallen van discriminatie en uitsluiting te hebben waargenomen. Dat is altijd ontkend. In Suriname zou eigenlijk geen discriminatie zijn; ‘we zijn een eenheid in verscheidenheid’ wordt vaker geroepen.

Omdat er in Suriname geen dominante raciale groep is geweest na de onafhankelijkheid van het land, werd de conclusie getrokken dat geen sprake zou zijn van discriminatie. Waar landen zoals Nederland een witte autochtone populatie heeft die in veel gevallen nog de norm is, is dat er in Suriname na de onafhankelijkheid niet geweest.ADVERTISEMENT

De overheid zou dit decennium kunnen zien als een kans om werkelijk statistieken en beleid te introduceren die ook de raciale achtergrond van de bevolking meenemen

De overheid zou dit decennium kunnen zien als een kans om werkelijk statistieken en beleid te introduceren, die ook de raciale achtergrond van de bevolking meenemen. Vandaar ook dat het wel belangrijk is – zoals de missie van de VN dat ook aangaf – dat er statistische informatie komt om duidelijk vast te stellen waar de mechanismen van uitsluiting en discriminatie precies zitten. Dat is noodzaak voor het maken van beleid om dit tegen te kunnen gaan. Maar dat het er is, kan iedereen die eerlijk wil zijn, wel zien aan de samenleving.

Het onderwijs in het binnenland leent zich makkelijk voor een analyse. De slaagpercentages van stad en binnenland geven al jaren een enorm verschil weer. Het kind in het binnenland heeft geen Nederlands als moedertaal en komt niet in een omgeving waar die taal wordt gesproken. Dat er daardoor leerachterstanden zijn, weet bij wijze van spreken elke koe van zondag. Toch is na bijna vijftig jaar onafhankelijkheid geen enkel structureel en duurzaam programma opgezet om dit op grote schaal tegen te gaan. Dat levert een gigantisch geografisch gebied op waar er achterstanden zijn.

Iets dat de huidige regering ook hoog in het vaandel draagt, is digitalisering en financial inclusion. Zo is bijvoorbeeld aan het begin van de Covid-19-pandemie steun gegeven aan grote groepen mensen die al in het systeem zaten, toegang hadden tot de digitale wereld en die bankrekeningen hadden. Die drie zaken golden niet of nauwelijks voor mensen in het achterland. Het gevolg is dat zij daar vrijwel geen gebruik van konden maken en dat is precies wat wordt bedoeld met uitsluitingsmechanismen. Maatregelen die – bewust of onbewust door hun aard – mensen van een bepaalde groep uitsluiten.

De VN-missie, die bestond uit Barbara Reynolds, Miriam Ekiudoko en Isabelle Mamadou, gaf ook informatie over het onlangs geproclameerde ‘Tweede internationale decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst (2025-2034)’, een initiatief van de VN gericht op het bestrijden van raciale ongelijkheid en het bevorderen van herstelrecht voor de gevolgen van slavernij en kolonialisme.

De overheid zou dit decennium kunnen zien als een kans om werkelijk statistieken en beleid te introduceren die ook de raciale achtergrond van de bevolking meenemen. In dat kader zou de regering financiële ondersteuning kunnen vragen van de VN om deze statistieken te introduceren en voor het maken van het benodigde beleid dat daaruit moet voortvloeien. Dat is als ze deze situatie wil veranderen. Want de discriminatie en uitsluiting van een groep is wel een voordeel voor andere groepen. Dat is nu eenmaal de aard van het beestje.