De tragiek van een feestelijke prijsuitreiking

12/10/2021 10:00

Beeld Sirano Zalman
 

GEEN FEESTJE –
Dinsdag 12 oktober – vandaag – zou schrijfster Astrid H. Roemer bij een feestelijke ceremonie de ‘Prijs der Nederlandse Letteren’ uitgereikt krijgen uit handen van de Belgische koning Filip in Brussel. Maar na haar omstreden loftuiting in augustus aan Desi Bouterse, die veroordeeld is voor zijn aandeel in de Decembermoorden, was dit feestje van de baan op aandringen van de ‘nabestaandenlobby’.

Tekst Astrid H.
Roemer

ONDERWEG VROEG IK aan mijn minnaar waarom hij dringend moest
vliegen naar Scandinavië. Om de aankoop van twee duikboten af te
ronden, zei hij zacht. Duikboten voor het Surinaamse leger om onze
kustlijn te bewaken. Moet ik aan denken ineens terwijl ik mijn
broer telefonisch feliciteer met zijn verjaardag. Het is zondag 29
augustus 2021. Stralend weer in Paramaribo en voor mij een
mogelijkheid om weer eens in familieverband verrukkelijk te eten en
bij te praten.

Een ochtenddroom remt mij. Een vrouw in een lang gewaad van
zijde, waarin schitterende kleurpatronen, staat voor me. Ik zit op
een rechte leunstoel voor een passpiegel eveneens gekleed in een
dergelijk gewaad. Dan schuift een dame binnen met een brief in de
hand. Slecht nieuws. Een overlijdensbericht voor Astrid. Voor mij?!
Het is 29 augustus 2021, de verjaardag van mijn broer en het was
1935 toen op 29 augustus de wereld het tragische nieuws te
verwerken kreeg van het verkeersongeval in Zwitserland waarbij
Koningin Astrid van België op slag stierf. Haar naam heeft mijn
moeder nooit losgelaten.

Er werd verteld dat haar echtgenoot zo kapot was van verdriet
dat hij hun kinderen verbood hun moeders naam uit te spreken.
Straten, pleinen, boulevards, ziekenhuizen en alles van waarde
kreeg van de Belgen de naam van hun Koningin Astrid. En in 1947
besloot mijn moeder haar eersteling Astrid te noemen. Mijn droom
met prachtige dames brengt verschillende tijdperken samen. Ik
huiver. Hoe wonderlijk zou moeder het hebben gevonden als ik uit
handen van de kleinzoon van koningin Astrid van België de Prijs
Nederlandse letteren 2021 in het koninklijk paleis te Brussel in
ontvangst zou mogen nemen? Moeder is in 2019 overleden. Zij heeft
nog breed en diep kunnen meegenieten van de P.C. Hooftprijs die mij
in  2017 feestelijk werd uitgereikt.

Ik bereid mij niet meer voor op een mooi feest in een koninklijk
paleis. Ik onderga Paramaribo

Recent heeft het bericht mij bereikt. Koning Filip van België
zal mij niet ontvangen en er zal geen feestelijke uitreiking van de
prijs zijn aan laureaat Astrid H. Roemer. In het openbaar heb ik
verkondigd te weigeren mee te gaan met de menigte die D.D.
Bouterse, ex-president van mijn geboorteland, moordenaar noemt en
hem de verarming van Suriname compleet in de schoenen schuift.
SINDS 2019 VERBLIJF IK in Paramaribo waar ik geboren ben. Ik focus
op wat verbeterd is sinds de Paramaribodecembermoorden1982. Ik ben
immers romanauteur en haal mijn inspiratie vooral ook uit de
actuele geschiedenis van Suriname en Nederland. Ik wens niet te
verzuipen in het langlopende decembermoordenstrafproces.

Ik bereid mij niet meer voor op een mooi feest in een koninklijk
paleis. Ik onderga Paramaribo

IK ZOEN NAAR patronen van groei en ontwikkeling. En die vind ik.
De weggelopen slavernijarbeiders en de inheemsen hebben hun dorpen,
die eerst vluchtplaatsen waren, diep in het Amazoneregenwoud
grotendeels verlaten om hun heil te zoeken en te vinden in de
kuststad Paramaribo. Moeiteloos eisen zij op wat hen honderden
jaren onthouden is. Achtergehouden stedelingen laten zich niet
langer wijsmaken dat het hun historische afkomst is welke hen op
achterstand blijft houden. De Nederlandse taal wordt zonder vrees
door iedereen gebruikt met leenwoorden uit diverse andere
moedertalen. Soms kinkt het belachelijk en buiten Suriname kun je
er weinig mee. Maar ik noem dat emancipatie en de verarming die ik
eveneens constateer is voor mij een bijproduct van een door
militairen geforceerde dekolonisatie.

Mijn minnaar Bill werd reeds bij de eerste staatsgreep begin
jaren ’80 door de militairen afgezet als ambassadeur voor Suriname
te Den Haag. Naar Suriname werd hij gedirigeerd. Zijn gedwongen
vertrek heeft ons uit mekaar gedreven. Hij en ik liepen in 1976 na
de ondertekening van het duikbotencontract hand in hand door een
frisse Scandinavische stad. Wij zwegen. Voor hem en mij was de
aankoop van militaire duikboten om onze kustwacht te bewaken een
misplaatste grap betreffende een nieuwgevormd leger dat mogelijk
een bloedbad zou kunnen aanrichten onder de eigen bevolking. Ooit,
zei mijn minnaar wijs: ‘Die jongens zijn opgeleid om te doden als
het erop aan komt!’ Onmogelijk, dacht ik. Aan een tafeltje in de
openlucht aten wij een potpourri van rauwe vis en glunderden van
genot. En ja, het ergste is gebeurd. Mijn minnaar leeft niet meer.
En ik probeer als oudere dame er het beste van te maken in
Paramaribo.

Precies 85 jaren na …