COLUMN: Het is dat u het weet

13/10/2021 14:00

-
SERIEUS!?

Ivan Cairo
 

“Tijdens Bouta kon de pers niets vragen, niets zeggen en niets doen. Ze moesten genoegen nemen met een tralalaverhaal met franchepane!” “Waar waren de kritische journalisten de afgelopen tien jaren?” Twee opmerkingen die ik op sociale media zag langskomen naar aanleiding van het aanbieden van een protestbrief door journalisten maandag aan de regering over de gang van zaken tijdens persconferenties. Wanneer ik dit soort opmerkingen zie, kan ik alleen meewarig het hoofd schudden en me afvragen of de personen die deze opmerkingen maken de afgelopen tien jaren wel in Suriname waren, de media hebben gevolgd of met hun kop in het zand hebben geleefd.

Waren het kritische journalisten uit India, Pakistan,
Griekenland, China, Amerika, Colombia of Frankrijk die tijdens
persconferenties vragen aan de toenmalige president hebben gesteld
over de aanstelling van Dino Bouterse als hoofd van CTU? Waren het
buitenlandse of buitenaardse journalisten die steeds vragen stelden
over de schandalen rond de Centrale Bank, skalians op het stuwmeer
en de rivieren, naschoolse opvang en Caricom? Waren het
buitenlanders die hebben geschreven over de beheersstructuur van
Wakapasi? Is men vergeten dat journalisten massaal zijn weggelopen
tijdens de wekelijkse persconferentie van de ministerraad in Weest
Paraat geleid door toenmalig vicepresident Ameerali omdat, ondanks
talrijke beloften van de regering, de inrichting van
persconferenties niet ten goede veranderde? Diezelfde issue speelt
vandaag weer: de inrichting van regeringspersconferenties.

Wanneer ik de CDS-directeur hoor zeggen dat CDS minstens 76
persconferenties heeft georganiseerd sinds het aantreden van de
huidige regering, wat de toegankelijkheid van de regering voor de
pers moet illustreren, zeg ik “geef me liever tien persconferenties
met kwalitatief degelijke of deugdelijke antwoorden op vragen in
plaats van 76 persconferenties waar de journalist nauwelijks ruimte
heeft voor vragen of met onbeantwoorde vragen blijft zitten”. Niet
de kwantiteit van de ontmoetingen is belangrijk of de graadmeter
voor de toegankelijkheid van de pers tot de regering(sleden), maar
de kwaliteit van wat er wordt gepresenteerd.

Ik zou eigenlijk niet hoeven te protesteren. Persoonlijk heb ik
toegang tot vrijwel alle regeringsleden, waaronder een directe lijn
met de president, waar ik vanwege de functie die hij nu bekleedt
bij hoge uitzondering gebruik van maak. President Santokhi heeft
tot nu toe altijd gereageerd als ik hem benaderde voor informatie.
Maar het gaat in deze erom dat niet een enkeling of een handjevol
verslaggevers toegang moet hebben tot de regering en de rest niet.
Het gaat om een collectieve toegang tot de regering en informatie
vanuit de regering. Dat is waarover het nu gaat. De ministers die
zich een beetje extra inzetten in de communicatie met de pers, zijn
ongetwijfeld de ministers Ramdin, Achaibersing, Nurmohamed,
Tjong-Ahin, Mathoera en Kuldipsingh. Minister Nurmohamed heeft
zelfs een uurtje op de maandag in zijn agenda ingeruimd om de pers
die daartoe behoefte heeft te ontvangen voor interviews. Zo kan het
dus ook.

Frappant is dat wanneer politici in de oppositie zitten ze de
beste maatjes zijn met journalisten en de media. O wee, wanneer ze
in de regering komen. Dan zijn journalisten plotseling lastposten
en in een enkel geval zelfs vijand. Dat heb ik gezien dwars door
alle regeringen vanaf 1995 toen ik mijn intrede in de journalistiek
deed. Tijdens de vorige regering zijn achter de coulissen keiharde
battles gevochten met NII-directeur Limburg. Pijnpunten werden
aangepakt, ofschoon toch niet alles daarna ideaal werd. Af en toe
waren er clashes tijdens persconferenties, zoals tijdens een
persmeeting van het vorige Covid-19-managementteam, toen
verslaggevers zijn weggelopen vanwege de bejegening die ze die dag
hadden gekregen. Nu wordt botweg geweigerd dat journalisten een
onbeantwoorde vraag herhalen of een verduidelijkende vraag stellen.
Dat is onder meer waartegen wordt geageerd.

Ondertussen trachten individuen verslaggevers een partijpolitiek
etiket op te plakken zonder dat er wordt gekeken of de knelpunten
die ze hebben opgeworpen valide zijn. Nee, er wordt direct
geschreeuwd dat de journalisten NDP’ers zijn en de regering daarom
niet lusten en het haar moeilijk maken. Sommigen gaan zo ver om
familie- en vriendschappelijke banden van journalisten te
onderzoeken om langs die lijn persoonlijke aanvallen te lanceren.
In dit geval zal ik voor mezelf spreken. Als ik rekening zou moeten
houden met familie- en vriendschappelijke banden voordat ik iets
zou schrijven, mag ik gerust een andere baan zoeken. Want, vanaf de
regering-Venetiaan 1, -Wijdenbosch, -Bouterse en -Santokhi heb ik
vrienden en familieleden in de genoemde coalities en kabinetten
gehad. Ik heb de luxe niet om aanhanger of lid van een bepaalde
politieke partij te zijn. Ik wil dat ook niet.

Ik doe frank en vrij mijn werk zonder partijpolitieke druk van
wie dan ook, precies zoals collega’s dat ook doen. Waren de
journalisten de afgelopen jaren VHP’ers, Abop’ers of NPS’ers
wanneer ze vragen stelden tijdens regeringspersconferenties? Het
zijn toch …