Centrale Bank betaalde 15 werknemers Hoefdraad op Financiën

Het jaarverslag 2015 van de Centrale Bank van Suriname (CBvS), is eindelijk gepubliceerd. Het accountantsbureau BDO Assurance N.V., onthoudt zich van enig oordeel over het jaarverslag. “Wij geven geen oordeel over de getrouwheid van de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening over 2015 van de Centrale Bank van Suriname. Vanwege het belang van de aangelegenheden beschreven als ‘Basis voor onze oordeelonthouding’, zijn wij niet in staat geweest om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen om daarop ons oordeel bij de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening als geheel te baseren”, aldus BDO Assurance N.V.
“Er is geen duidelijkheid verkregen betreffende de juistheid van een deel van de in 2015 verantwoorde personeelskosten van de Bank”, stelt de accountant. In de controleverklaring zegt de accountant, dat vijftien werknemers van de Bank sinds medio augustus 2015, geen werkzaamheden meer voor de Bank hebben verricht, maar voor het ministerie van Financiën. “Deze personen komen per 31 december 2015 nog op de salarislijst van de Bank voor. De Bank heeft in de aangegeven periode aan betrokkenen de primaire en secundaire beloning en overige personeelskosten zoals van toepassing bij de Bank, onverminderd uitbetaald en hun rechten gehandhaafd.
Er zijn geen arrangementen die de tewerkstelling en de periode van de tewerkstelling bij het ministerie van Financiën noch de kostendrager van de gepaarde lasten per 31 december 2015 rechtvaardigen”, aldus Ferrier.
In de vermelding van de gemiddelde personele lasten en het aantal werknemers per 31 december 2015 zijn deze werknemers eveneens verantwoord. Ook zegt hij, dat bepaalde bedrijfsmiddelen van de Bank, gekenmerkt als materiële vaste activa, door de bovenbedoelde personen en de in 2015 afgetreden president, meegenomen zijn naar hun nieuwe werkplek. Daarnaast zijn de afschrijvingslasten alsook alle andere met de bovenbedoelde materiële goederen gepaarde bedrijfskosten, zoals verzekeringen en abonnementen over deze bedrijfsmiddelen, voor het gehele boekjaar 2015 ten laste van de Bank verwerkt. Een regeling over de feitelijke kostendrager van deze lasten ontbreekt.
Geen wettelijke basis
Volgens de accountant zijn er vorderingen op de Staat Suriname –‘Geconsolideerde Staatsschuld-III’ die geen wettelijke basis hebben en is niet door enige harde zekerheidsstelling gedekt. “De ‘Geconsolideerde Staatsschuld-III’ die per 18 september 2015 is afgesloten door de Bank met de Republiek Suriname voor een bedrag van SRD 2.498.327.404 betreft in principe: enerzijds een herstructurering per 17 september 2015 van de onderstaande vorderingen van de Bank op de Staat: – het saldo van de ‘Geconsolideerde Staatsschuld-II’, die was afgesloten in 2002; – het saldo van het werkvoorschot ex artikel 21 van de Bankwet; – het saldo van de overtrekkingen van de Surinaamse Staat op zijn rekeningcourantrekeningen (debet standen) en anderzijds de financiering van het saldo van diverse overige schulden van de Surinaamse Staat aan onder andere Staatsinstellingen en derden. Deze leningsvorm, waarvan de toelaatbaarheid niet in de Bankwet 1956 en zoals aangepast in 2005 (SB 2005/ no 56 geldende tekst S.B. 2010 no. 173, hierna de ‘Bankwet’) is opgenomen, heeft derhalve in eerste aanleg geen wettelijke grondslag alsook ontbreken er in tweede instantie acties om deze separaat via een andere rechtsingang, zoals De Nationale Assemblee, te laten goedkeuren. De Staat heeft tot zekerheid van de door de Bank op haar verkregen vordering, de ‘Geconsolideerde Staatsschuld-III”, zijn recht op de jaarlijkse winst van de Bank, aan deze gecedeerd.
Verantwoordelijkheden
“Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle, verricht in overeenstemming met internationale controlestandaarden (International Standards on Auditing) uitgevaardigd door de International Federation of Accountants (IFAC). Vanwege het belang van de aangelegenheden beschreven in de paragraaf ‘De basis voor onze oordeelonthouding’ zijn wij niet in staat geweest om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen om daarop ons oordeel te kunnen baseren’, zegt Ferrier De accountant zegt tot slot, dat de leiding van de Bank verantwoordelijk is voor het opmaken en getrouw weergeven van de jaarrekening in overeenstemming met algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. “In dit kader is de leiding van de Bank verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die de leiding noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fouten of fraude. Bij het opmaken van de jaarrekening moet de leiding afwegen of de onderneming in staat is om haar werkzaamheden in continuïteit voort te zetten. Op grond van genoemd verslaggevingsstelsel moet de leiding de jaarrekening opmaken op basis van de continuïteitsveronderstelling. De Bank, een Sui Generis, waarvan de status en functies worden bepaald volgens de Bankwet 1956 en de herzieningen daarop, kan vanwege haar aard en maatschappelijk belang in feite niet door de leiding worden geliquideerd, noch kunnen de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd zo liquidatie of beëindiging het enige realistische alternatief is. De leiding van de Bank moet gebeurtenissen en omstandigheden waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de Bank haar bedrijfsactiviteiten, in continuï … ………… (De West)

Lees verder

Bron: De West Suriname