Onroerend goederenrecht niet geworteld in Burgerlijk Wetboek

In SJB 2022 no. 1 heeft mr. M.L.M. (Chiel) Verbruggen, hierna ook te noemen ‘de auteut’, een belangwekkend artikel geschreven getiteld: Onroerende zaken, domeinbeginsel en allodiale eigendom. Dit stuk is geschreven n.a.v. een eerder verschenen artikel in het Nederlands Juristen Blad: Inleiding in het Surinaamse recht voor onroerende zaken, waarin de auteur de structuur van het Surinaamse zakenrecht beschrijft. Op dit artikel heb ik (CJ) een reactie gegeven die gepubliceerd is in het SJB 2021 no. 1.Verbruggen merkt op dat het domeinbeginsel – dat inhoudt dat alle grond, waarop niet door anderen recht van eigendom wordt bewezen, domein van de Staat is – niet uit het Nederlandse recht afkomstig is, maar zijn roots heeft in het Engelse recht. Historisch gezien heeft Suriname enkele keren onder Engels Bestuur gestaan.In het Burgerlijk recht of civil law, dat o.a. in Suriname en Nederland geldt, bestaat er een scheiding van privaatrecht (dat de rechtsbetrekkingen tussen de burgers onderling regelt) en publiekrecht (dat betrekking heeft op de verhouding tussen de overheid en de burger), terwijl in het common law dat in de Anglo-Amerikaanse rechtssystemen geldt, het onderscheid tussen privaatrecht en publiekrecht minder scherp is. De actualiteit van deze opmerking van Verbruggen voor ons land, blijkt uit de in de media tot uiting gekomen discussie over het rechtskarakter van het vrije domein.Wat betekent het vrije domein?Is vrij domein een eigendomsvorm (privaatrecht) of is het een beheersvorm (publiekrecht)?De opvatting van de minister van GBB in haar brief aan haar collega van O.W. d.d. 8-6-22, lijkt de tweede te zijn. Dit, omdat zij vindt dat het begrip verkaveling niet van toepassing is op domeingrond. In de opvatting dat domeingrond eigendom is, is het begrip verkaveling wel van toepassing. Indien aangenomen wordt dat het een beheersvorm is, is dat niet het geval.

Volgens het civil law is domeingrond eigendom, maar bij het common law hoeft dat niet het geval te zijn. Een interessante discussie die op wetenschappelijk niveau gevoerd moet worden. In onze Landhervormingswetgeving m.n. art. 14 lid 1 Decreet Uitgifte Domeingrond staat vermeld: “Het recht van grondhuur is een zakelijk recht om het vrije genot te hebben van een stuk domeingrond onder gehoude¬nis om deze grond overeenkomstig de door de Staat daaraan bij de vestiging gegeven bestemming en bepalingen te benutten. Het recht wordt eenzijdig door de Staat verleend.” Er is dus geen sprake van een overeenkomst, omdat deze meerzijdig is.Kraan zegt in zijn boek: De uitgifte van domeingrond in Suriname dat de uitgifte van domeingrond in grondhuur de vestiging van een zakelijk recht is, waarvoor een overeenkomst vereist is. De mening van Kraan is juist, indien de opvatting wordt gehuldigd dat domeingrond eigendom is. De opstellers van de L-decreten lijken echter voor de andere opvatting te kiezen. Het is jammer dat in de Nota van Toelichting hierover niets te vinden is.  Verbruggen heeft in ieder geval de ogen geopend van de juristen die er traditioneel van uitgaan dat wij ook wat het onroerend goed betreft de principes van het (Nederlandse) Burgerlijk Recht volgen.Voor ik kennisgenomen had van zijn standpunt behoorde ik ook tot deze groep. Maar ik moet toegeven dat Verbruggen mij aan het denken gezet heeft.Tot nu toe was de geldende opvatting dat het verschil tussen het Surinaamse en Nederlandse zakenrecht vooral lag in het bestaan van het recht van allodiale eigendom en erfelijk bezit, maar dat voor het overige beide rechtssystemen identiek waren.Rechtskarakter allodiaal eigendomVerbruggen komt, evenals bijv. Kruisland, Kraan, schrijver dezes en de Kantonrechter in een recent vonnis, tot de conclusie dat allodiaal eigendom inmiddels is geconverteerd in B.W.-eigendom. Vermeldenswaard is dat in het Ontwerp Nieuw B.W. ook deze opvatting gehuldigd wordt.Grondenrechten InheemsenVerbruggen wijst erop dat anders dan bijv. Guyana en Frans-Guyana, de overheid geen gronden heeft toegewezen aan Inheemsen. Naar zijn zeggen lijkt het erop alsof de Surinaamse overheid gehecht is aan de feodale rechtspositie uit het verleden.ConclusieDe auteur komt tot de slotsom dat het historisch fundament van het zakenrecht niet komt uit het Surinaams B.W. Het Surinaamse zakenrecht is naar zijn oordeel een mix van feodale rechtsprincipes en het Burgerlijk recht.Hij vindt voorts dat het huidige recht van onroerende zaken meer gericht is op de overheid dan op de inwoners. De essentiële vraag vindt hij of de bevoegdheden van de overheid om in te grijpen in de persoonlijke leefomgeving, toe zijn aan modernisering.Carlo Jadnanansing