Dr. Christiaan Hendrik (Hein) Eersel

(9-6-1922 – 11-6-2022)Linguïst en eminente kenner en vernieuwer van de Surinaamse taal en cultuurOp 11-6-2022 belde Marthelise mij op en vertelde dat haar vader was gaan “hemelen”. Een treffende wijze om het heengaan van de godsvruchtige icoon en nestor van de Surinaamse taal en cultuur uit te drukken. Ik heb het genoegen gehad in een kleine familiekring op donderdag 9 juni aan de Afobakalaan alwaar “oom Hein” – zoals ik hem noemde – woonde, aanwezig te zijn. Op die dag herdacht hij zijn 100ste geboortedag, de eeuw van Hein Eersel!

Voor de aanwezigen was het toen reeds duidelijk dat oom Hein zijn langste tijd op deze aardbodem achter zich gelaten had. Ik mocht nog even zijn hand drukken, maar hij reageerde nauwelijks. Ik kreeg de indruk dat ik hem stoorde bij het ontvangen van de laatste instructies van zijn Schepper vóór het verlaten van het aardse toneel. Maar tevens was ik er van overtuigd dat hij met voldoening kon terugkijken op al hetgeen hij bereikt en ook nagelaten heeft. In eerdere artikelen zijn reeds vele verdiensten van oom Hein gememoreerd en zal ik het daarom nu meer hebben over mijn persoonlijk contact met hem.Hij was een aimabele, bescheiden, integere en behulpzame persoonlijkheid die voor een ieder een goed woordje over had en altijd bereid tot het verlenen van zijn diensten, zonder enig persoonlijk gewin. Zijn altruïsme was alom bekend!In 1961 leerde ik hem kennen als mijn AMS-leraar Nederlands en heb tot 1964 les van hem gehad. Hij was een meester, niet alleen in het overbrengen van de theoretische kennis, maar ook in het kweken van de belangstelling voor taal en literatuur. Bij zijn lessen viel zijn internationale oriëntatie op. Hij behandelde niet alleen de Nederlandse, maar ook de wereldliteratuur. Degenen die hem kennen uit zijn Wie Eegie Sanie periode zijn geneigd hem uitsluitend te zien als propageerder van het Sranantongo en Surinaams nationalisme, maar niets is minder waar. Alle Surinaamse moedertalen werden door hem gelijkelijk gewaardeerd. Wel was zijn focus primair gelegd op de ontwikkeling van het Sranan.

Tijdens een SORES-lezing van de Sarnámi deskundige, Moti Marhé, bracht laatstgenoemde de stelling van Jnan Adhin naar voren dat het Sarnámi op dezelfde gronden als het Sranan, een Surinaamse taal genoemd moet worden. Eén van de aanwezigen bestreed deze stelling en keek in de richting van oom Hein, die ook als toehoorder in de zaal aanwezig was. Tot zijn verbazing bleek oom Hein het eens te zijn met de stelling van Adhin. Van het bestaan van de religieus/filosofische meesterwerken Ramayana en Mahabharata hoorde ik voor het eerst als AMS student uit de mond van oom Hein, die deze werken uitvoerig en met waardering besprak.

Na zijn afstuderen in Amsterdam omstreeks 1964 heeft hij in de Verenigde Staten een verdiepende cursus linguïstiek gevolgd, waarvan het Sanskrit deel uitmaakte. Het is daarom ook begrijpelijk dat hij voor zijn lessen aan het IOL voor de Surinaamse talen het vak sociolinguïstiek heeft ontwikkeld. Vele niet-ingewijden denken ten onrechte dat elke taalkundige ook linguïst is. Als ik Renate de Bies goed begrepen heb, was oom Hein de enige in Suriname die zich met recht linguïst in wetenschappelijke zin mocht noemen.

Oom Hein was ook iemand met een groot gevoel voor humor. Toen ik hem als AMS-leerling eens vroeg een voorbeeld te geven van een subtiele mop, reageerde hij als volgt: “Als je een welgevormde vrouw een klap geeft, mag je zeggen: ik heb een goed figuur geslagen”! Eens maakte hij een afspraak voor notariële bijstand op mijn kantoor. Nadat hij plaatsgenomen had keek hij mij aan en zei geamuseerd: “Carlo, ik heb je gekend als een zeer leergierige student, maar nu zie ik alleen dollartekens in jouw ogen.”Ik antwoordde hem terstond: “Oom Hein, tekens zijn vaak bedrieglijk, ik acht het mijn plicht vanwege de vele kennis die u mij hebt bijgebracht, deze zaak voor u geheel pro deo te doen!” Hij antwoordde: “Daarvoor dank ik je geheel pro meo!”.

Ik heb het als een voorrecht ervaren om diverse lezingen voor hem te organiseren o.a. voor de Rotary, SORES en Het Park. Zijn reputatie was van dien aard dat de lezingen altijd drukbezocht waren en het publiek aan zijn lippen hing. Hij was behalve een groot wetenschapper, ook een begenadigde spreker. Hij lette er daarbij op om alle vragen op vriendelijke wijze te beantwoorden en niemand het gevoel te geven dat hij een domme vraag had gesteld.Ook doorspekte hij zijn betoog met odo’s om de sfeer erin te houden.

Op 9 juni 2002 (zijn 80ste verjaardag) hebben vrienden van hem een Kompebuku uitgegeven, waaruit ik het volgende citeer van zijn secretaresse Bureau Volkslectuur, Gonda …