COMMENTAAR: Riad versus Dinotha

DE MINISTER VAN Openbare Werken (OW), Riad Nurmohamed, en zijn collega Dinotha Vorswijk van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) zijn elkaars beleid openbaar aan het bekritiseren en doorkruisen. De aanleiding daartoe is de uitgifte van percelen op het Sabakuproject, dat GBB bestempelt als domeingrond. Nurmohamed op zijn beurt verwijst naar wetgeving die gaat over grond met een zakelijke titel.
In april 2021 maakt OW duidelijk dat er een chaos heerst op het gebied van opgestarte (verkavelings)projecten. Die zijn in kaart gebracht een inventarisatie geweest. Bij sommige zou het nooit mogelijk zijn om stroom en water aan te leggen vanwege de ligging, andere weer konden zelfstandig voortgezet worden en weer andere zou de overheid zelf voortzetten omdat de woningnood hoog was.

Als OW en GBB beide een deel van grondbeleid onder zich hebben, dan moeten rapporten aangaande dit onderwerp met elkaar gedeeld worden

Het is dus aannemelijk dat OW midden vorig jaar al een beeld had van hoe de situatie eruitzag. Als gekeken wordt naar de data die minister Vorswijk noemt in haar brief, die moeten dienen als onderbouwing van haar repliek aan Nurmohamed, dan is duidelijk dat de problematiek met betrekking tot het Sabakuproject bekend was bij de overheid. Immers, tijdens een persconferentie, nadat er op het Dalian 1-project – dat ook in noord is – gekraakt was, had de president aangekondigd de evaluatie met betrekking tot de overheidsgronden bij GBB binnenkort te ontvangen.
De vraag is of binnen de ministerraad wel aan uitwisseling van deze beide evaluaties is geweest. Want als OW en GBB beide een deel van grondbeleid onder zich hebben, dan moeten rapporten aangaande dit onderwerp met elkaar gedeeld worden. Als dat was gedaan en plannen in de ministerraad besproken worden, dan is daar de plek om aan de bel te trekken.
Maar in de brief van Vorswijk, die volgens haar eigen verklaring is uitgelekt, is duidelijk te merken dat het niet op prijs werd gesteld dat Nurmohamed deze kwestie in de media besprak. Hij koos er dus niet voor de minister daarmee te confronteren in de ministerraad, noch koos hij ervoor haar dat schriftelijk door te geven. Het doet allemaal vermoeden dat hier een politiek steekspel wordt gespeeld.
Zonder een oordeel te vellen over welke minister wel of geen gelijk heeft, kan gesteld worden deze werkwijze toont dat de animositeit tussen de twee grootste regeringspartijen niet alleen op parlementair niveau aanwezig is, maar ook op ministerieel. Het zo gepreekte ‘eenheid van beleid’ is zoek en partijen kunnen in de bestrijding van elkaar kennelijk zo ver gaan dat zij beleidsbeslissingen van elkaars ministerie publiekelijk afkraken. Daarmee leggen zij ook het gebrek aan leiderschap in de ministerraad bloot.
In deze lijkt het te gaan om het enge belang van een of twee parlementariërs. Maar er moet niet uit het oog verloren worden dat er mogelijk ook gewone burgers grond hebben gehad op soortgelijke projecten. Zij zullen dan in onzekerheid leven, terwijl elke overheid haar burgers juist een bepaalde zekerheid dient te geven.