COMMENTAAR: Omgekeerde volgorde

HET NIEUWS DAT Suriname een ambassade zou openen in Jeruzalem sloeg in als een bom en kreeg internationale aandacht. Immers, alles rondom Jeruzalem en de claims die zowel de Palestijnen als de Israëliërs doen gelden op de voor hen heilige stad, is altijd wereldnieuws. In Suriname moest de pers het doen met de belofte dat minister Albert Ramdin van Buitenlandse Zaken, Internationale Business en Internationale Samenwerking (Bibis) zelf uitleg zou geven als hij eenmaal terug in het land zou zijn.
Tijdens de persconferentie die de Bibis-minister belegde in het weekend werd de bal handig doorgespeeld naar president Santokhi. Hij zal president Santokhi “over deze aangelegenheid een uitgebreid rapport aanbieden”. Het is alvast een ernstige aanfluiting dat een minister kennelijk een uitspraak heeft gedaan over deze zeer gevoelige kwestie, zonder dat van tevoren hier een eenduidig standpunt over was. In deze gaat de bewindsman weer compleet voorbij aan de kamerbrede uitspraak in DNA dat er geen ambassade komt in Jeruzalem.

Het buitenlands beleid vergt juist dat de situatie, en de daarmee gepaard gaande belangen en verhoudingen in de wereld, goed in overweging wordt genomen alvorens het beleid wordt uitgezet

Het is trouwens helemaal de omgekeerde volgorde die Ramdin bewandelt. Het is absoluut incorrect om het voornemen kenbaar te maken dat er een ambassade komt in Jeruzalem om daarna pas via de pers te verkondigen: “Bij het definitieve besluit om een ambassade in Israël te vestigen, zullen ook de standpunten worden meegenomen van personen, instanties en organisaties die tegen de vestiging ervan in Jeruzalem zijn.” Dit had vooraf plaats moeten vinden, zeker omdat bij zijn Israëlische collega Yair Lapid, en in het verlengde daarvan de staat Israël, verwachtingen zijn gewekt die niet vooraf zijn besproken. Dat is een grote internationale blunder.
De minister vervolgt zijn onbeholpen uitleg door te stellen dat ‘religie geen factor moet zijn’ voor het aangaan of afzeggen van internationale banden omdat Suriname een multireligieus land is. Hoewel geen speld te krijgen is tussen de laatste bewering, is het zeer kortzichtig en zelfs gevaarlijk om de religieuze situatie in de wereld niet in ogenschouw te nemen alvorens een dergelijk zwaarwichtig besluit te nemen. Het buitenlands beleid vergt juist dat de situatie, en de daarmee gepaard gaande belangen en verhoudingen in de wereld, goed in overweging wordt genomen alvorens het beleid wordt uitgezet.
In de literatuur wordt Jeruzalem juist vaker genoemd als een geopolitieke situatie waarmee zeer omzichtig omgegaan wordt binnen de internationale diplomatie. De tijd dat religie geen factor meer speelde in de internationale betrekkingen kwam met de gebeurtenissen rondom 9/11 te vervallen. Sindsdien zijn landen juist heel erg voorzichtig en houden rekening met de religieuze spanningen in het Midden-Oosten om hun (inter)nationale veiligheid niet in gevaar te brengen.
Dat Ramdin nu met zijn ontwijkende antwoorden de opzet van een ambassade in Jeruzalem niet expliciet afblaast, kan ons duur komen te staan. Uit veiligheidsoverwegingen is het de bewindsman aan te raden zijn blunder te erkennen en te vermelden dat Suriname vooralsnog toch kiest voor Tel Aviv. De vraag is of überhaupt een dergelijke diplomatieke post in het economisch en internationaal belang van Suriname is.